Kor Grit

Tropisch tuinieren                        Kor Grit         feb 2021             
Superkleinschalige tuinbouw
Een van de meest iconische beelden van Indonesië is natuurlijk de sawah (het rijstveld). Je hoeft niet ver te reizen om een rijstveld te zien, zelfs niet in een miljoenenstad als Yogyakarta. Veel rijst wordt kleinschalig verbouwd en de velden liggen doorgaans direct aan de rand of middenin woonwijken.

  Een collega van de UKDW, Kees de Jong, woont zelf direct naast een aantal rijstvelden. Hij vertelde me eens dat rijst in Indonesië een politiek gevoelig onderwerp kan zijn. Tijdens de verkiezingen van 2019 had de voornaamste opponent van Jokowi de beschuldiging gemaakt dat Jokowi in zijn eerste termijn als president rijst had geïmporteerd uit andere landen in Zuidoost-Azië. Een impliciete aantijging van gebrek aan trots en vertrouwen in Indonesische producten.  De realiteit is echter dat de laatste decennia het regenseizoen minder voorspelbaar is geworden en veel boeren daardoor veelal slechts 1 of 2 keer per jaar kunnen oogsten.
Hidroponik
Veel Indonesiërs zijn zich dus bewust zijn van mogelijke kwetsbaarheden in voedselvoorziening. Het zal daarom geen verrassing zijn dat men aan het begin van de coronapandemie afvroeg of al het voedsel nog beschikbaar zou zijn op de pasar(markt) en in de supermarkt. Normaal gesproken wordt bij sommige restaurants al ter plaatste groente verbouwd, of pepers zoals in de foto hieronder.

 
Door corona doet men daar nog een schepje bovenop en werd er massaal groente verbouwd door middel van hidroponik, een systeem waarbij de groenten direct in het water worden gekweekt. Onderweg van de UKDW naar huis kom ik diverse constructies tegen van plastic buizen en bakken met groente en diverse eetbare planten. Hidroponik dient in Indonesië als een soort van onderhoudsarme moestuin waardoor men minder afhankelijk is van de supermarkt. Ook in onze eigen buurt is te zien dat mensen in Yogyakarta meer bezig zijn met voedselproductie. Het veld voor ons huis is normaalgesproken begroeid met allerlei wilde planten en bomen. Sinds onze terugkeer is ook dit veld bewerkt en wordt het gebruikt om voedsel te verbouwen. Het is bijna alsof we midden in de sawah wonen.  

Uitgezonden medewerker in ballingschap

Een uitgezonden medewerker die niet kan zijn waar die naartoe gezonden is. Een uitgezonden medewerker in ballingschap. Het klinkt misschien als een contradictio interminis. Ben je überhaupt een nog een uitgezonden medewerker als je niet aanwezig bent in het land waar je zou moeten wonen en werken?

In januari vertrokken Saskia en ik naar Yogyakarta, waar ik als docent religiewetenschappen aan het werk zou gaan bij de Universitas Kristen Duta Wacana (UKDW) en Saskia actief wilde zijn op het gebied van vrouwenrechten en arbeidsrecht. De coronapandemie gooide roet in het eten en nog voor het regenseizoen op Java voorbij was moesten we terug naar Nederland. Het proces van terugkeer was op zichzelf al moeilijk genoeg. Een gevoel van falen in combinatie met een postkoloniale verlegenheid overheerste. Het verschil tussen onszelf en onze Indonesische collega’s en vrienden werd hierdoor pijnlijk benadrukt en onze mooie idealen om grondig te integreren in de Indonesische samenleving werden abrupt onderbroken.

Desalniettemin keerden we terug in Nederland met een gezonde dosis optimistische nativiteit. “Voor de zomer kunnen we toch wel weer terug naar Yogya”, zo dachten we in april. We probeerden de terugkeer te benaderen als een soort van lange vakantiereis en kwamen aan op Schiphol met elk een koffertje. Terwijl we die hoop op een spoedige terugkeer lang hebben volgehouden merkten we ook al snel dat ons leven zich weer in Nederland ging afspelen. De afstand naar Indonesië kan met de technologie van tegenwoordig natuurlijk makkelijk overbrugd worden. Saskia en ik konden onze Indonesische taallessen makkelijk voortzetten via Skype en alle activiteiten van de UKDW waren ook online te volgen. Tegen wil en dank kreeg het leven in twee werelden langzamerhand steeds meer vorm. We kunnen en willen niet weer te veel wennen aan het leven hier terwijl we proberen, vaak met moeite, onze verbinding met Indonesië warm te houden.

Dat het onderhouden van de verbinding met Indonesië moeite kan kosten is ook te merken in werkzaamheden. Juni en juli zouden de maanden zijn dat ik samen met collega’s van de UKDW onderzoek zou doen naar ecologie onder religieuze gemeenschappen in Yogya. In plaats daarvan zat ik achter de computer en in de boeken om toch nog op een of andere manier vorm te geven aan dit onderzoek. Toen na de zomer, in september de colleges weer begonnen (vanzelfsprekend online) werd ook duidelijk dat het tijdsverschil ook niet bijdraagt aan makkelijke werkomstandigheden. Aangezien we in Nederland vijf uur

achterlopen kunnen mijn colleges helaas niet zo vroeg beginnen als Indonesische collega’s graag zouden willen. Daarnaast hoor ik van veel docenten positieve ervaringen over online onderwijs en het zal zeker voordelen hebben, maar ook nadelen. Helaas heeft niet elke student in Indonesië toegang tot een betrouwbare internetverbinding. Bovendien wordt het voor de veelal beleefde (of vanuit Nederlands perspectief zelfs timide) Indonesische studenten niet makkelijker om actief te participeren tijdens online colleges.

Tegelijkertijd is het juist bemoedigend om te zien dat het leven in Indonesië ook “gewoon” door gaat. Studenten van de UKDW lijken onverminderd pienter en geïnteresseerd in contextuele theologie en interreligieuze relaties en Indonesische kerken hebben diverse online bijeenkomsten georganiseerd over actuele thema’s om van elkaar te leren en elkaar te ondersteunen. Bovendien zal er ongetwijfeld een moment komen dat Saskia en ik ons nog jonge leven in Indonesië weer kunnen oppakken en tot die tijd proberen we te genieten van het beste van beide werelden.
PS: Saskia werkt van juli tot eind september op Lesbos bij een organisatie voor de vluchtelingenopvang

De gevolgen van het coronavirus: een onzekere terugkeer

Blog 2                                                                                                                                 zaterdag 28 maart 2020

Er is geen ontkomen aan, vrijwel alles gaat momenteel over het coronavirus, zo ook deze blog. Terwijl sommigen het enkele weken geleden nog als onschuldige griep zagen wordt het nu een regelrechte crisis genoemd. De ontwrichtende kracht van de pandemie is ook voor Saskia en mij realiteit geworden, afgelopen week moesten we namelijk Indonesië verlaten om tijdelijk terug te keren naar Nederland.

De onzekerheid van het bestaan in Indonesië

De onvoorspelbaarheid van de natuur is vele Indonesiërs niet vreemd. Terwijl ik twee generaties terug moet voor ervaringen van de meedogenloosheid van de natuur in Nederland, kent Indonesië in de laatste twee decennia al diverse natuurrampen met honderdduizenden slachtoffers tot gevolg. Dit is niet slechts een kwestie van schaal, een gevolg van de grootte van het land. Sinds onze aankomst in Yogyakarta eind januari zijn er diverse overstromingen geweest in Jakarta en West Java, is de Merapi vulkaan twee keer tot uitbarsting gekomen, hebben we een kleine aardbeving gehad en heeft de stroming in de rivieren en de zee ten zuiden van Yogyakarta meerdere mensenlevens gekost. Het leven in Indonesië is misschien over het algemeen meer bepaald door toevalligheid dan in Nederland en de onzekerheid van het bestaan lijkt door veel mensen te zijn geïnternaliseerd.

Misschien is dat mede waarom er in Indonesië meer ontspannen op het coronavirus geageerd wordt dan in Nederland. Ook in Indonesië zijn de scholen en universiteiten gesloten, de UKDW, waar ik werk, al sinds midden maart. Bovendien is het uitzonderlijk rustig op staat in Yogyakarta. Toch gaat een groot deel van het publieke leven gewoon door. Markten, restaurants en de vele koffietentjes zijn nog gewoon open. Natuurlijk kunnen vele arbeiders, vooral in de informele sector, zich helemaal niet permitteren om niet naar hun werk te gaan, maar ook veel niet-economische activiteiten zijn niet afgelast.

Het zekere voor het onzekere

Des te groter was onze verbazing toen Saskia en ik vorige week maandag lazen dat de Nederlandse ambassade in Jakarta alle reizigers adviseert terug te keren naar Nederland. In eerste instantie dachten we dat dit geen betrekking op ons had maar vooral van toepassing was op toeristen. Twee dagen later zette de ambassade deze boodschap echter kracht bij met de oproep tot terugkeer aan alle Nederlandse permanente bewoners in Indonesië. Na zorgvuldige afweging van Kerk in Actie met de UKDW en met Saskia en mij is daarom besloten de oproep van de ambassade te volgen en ons tijdelijk terug te laten keren naar Nederland. Enkele dagen later maakten we een wandeling door het park Taman Kearifan bij ons in de buurt toen we een telefoontje kregen met de vraag of we zaterdag al konden vertrekken. Na een paar hectische dagen kwamen we met de nodige tegenzin zondagochtend aan op Schiphol.
Saskia en ik hebben helaas de onzekerheid van het bestaan ons nog niet eigen kunnen maken, zoals vele Indonesiërs dat wel lijken te hebben. Deze tijdelijke periode van terugkeer, waarin veel onduidelijk en vrijwel alles veranderlijk is zal dus niet makkelijk worden. We proberen zoveel mogelijk het leven en de ontwikkelingen in Indonesië te volgen. Gelukkig kunnen we online taallessen blijven volgen, contact onderhouden met vrienden en collega’s en kan ik waar mogelijk zelfs de online colleges van de UKDW volgen.
Ondertussen is in Indonesië het coronavirus nu wel erkend als de ramp die het is, vooral in Jakarta, maar het is nog erg onzeker of het Indonesische gezondheidsstelsel de zorgvraag van potentieel miljoenen Indonesiërs aankan. Ik hoor de afgelopen weken regelmatig van Indonesische collega’s en vrienden over mensen die ziek worden of zelfs komen te overlijden, maar die niet getest worden op het coronavirus. Het is dus nog maar de vraag of ooit inzichtelijk zal worden hoeveel slachtoffers het virus zal maken in het land.

Kor Grit     Theologiedocent in Indonesië

Naar de bron van batik

Blog 1                  vrijdag 21 februari 2020
Sinds drie weken mogen Saskia en ik Yogyakarta onze woonplaats noemen. Het is natuurlijk een hectische periode met veel gewenning, maar tegelijkertijd ook met veel verwondering en mooie nieuwe ervaringen. Bovendien is het verband tussen Nederland en Indonesië nooit ver te zoeken. Zo merkte ik ook tijdens een bezoek aan pendeta Aris, een predikant en bekende batik schilder in Yogyakarta.

Uitzenddienst

De zondag voor ons vertrek naar Indonesië kregen waren we nog verwelkomd in de Ichthuskerk in Tholen voor een uitzenddienst. Tijdens de dienst werd ondermeer stilgestaan bij de gastvrijheid van de universiteit en kerken in Indonesië voor ons als gasten uit Nederland. Verder werd de schoonheid van de diversiteit aan kerken en gelovigen benadrukt. De perspectieven en ervaringen van Indonesiërs kunnen een verrijking voor ons eigen geloof en spiritualiteit betekenen. Dat wordt goed geïllustreerd in de batik van pendeta Aris. Door middel van deze typisch Indonesische kunstvorm geeft hij heel concreet en beeldend uiting aan het christendom in Indonesische en Javaanse context. Zijn batik van het verhaal over de wonderbare spijziging werd door Kerk in Actie aan de Ichthuskerk aangeboden.

Interreligieuze batik

Enkele weken na deze uitzenddienst had ik het geluk dat ik diezelfde pendeta Aris kon bezoeken. In zijn atelier in Yogyakarta hadden we een gesprek over Indonesische cultuur en hoe deze vorm krijgt in Indonesische kerken. Verder vertelde pendeta Aris dat veel van zijn batik gemaakt wordt door moslims en christenen gezamenlijk. Hij ziet de kunst als een middel om christenen en moslims uit de omgeving met elkaar in contact te brengen en ervoor te zorgen dat ze goed met elkaar overweg kunnen. Door de batik raken christenen en moslims in gesprek over religie, spiritualiteit en hun gezamenlijke Javaanse cultuur.

Al met al zijn de eerste weken in Yogyakarta dus een prachtige introductie geweest in Indonesische cultuur en in interreligieuze relaties in het land. De komende jaren hoop ik over precies deze onderwerpen steeds meer te leren.